West-Brabant

Hoe wordt de coronasteun voor het onderwijs regionaal eigenlijk besteed?

Stockfoto: PxHere

Hans-Jorg van Broekhoven

Onderwijsinstellingen in heel Nederland hebben voor schoolgaande kinderen 700 euro per leerling ontvangen van het Rijk. Dit bedrag is bestemd om achterstanden die zijn ontstaan door de coronacrisis op te vangen. Volgend jaar volgt nog eens een bijdrage van waarschijnlijk 500 euro. We wilden weten hoe daar in de regio mee wordt omgegaan en benaderden meerdere organisaties. Die bleken niet allemaal even happig te zijn op het geven van uitleg. Gelukkig was er één positieve uitzondering.

Landelijk heeft Het Rijk 8,5 miljard euro uitgetrokken voor het wegwerken en verder voorkomen van achterstanden. Te verdelen over alle vormen van onderwijs. Veel scholen hebben al laten weten het een flink bedrag te vinden, waar ze blij mee zijn – al is het geen terugkerende bijdrage. Oplossingen vinden in het aanstellen van meer onderwijzend personeel is mede daarom lastig, bovendien zijn die mensen niet of slecht te vinden.

Weinig animo voor reageren

Iedere school of overkoepelende organisatie geeft eigen invullingen aan de bijdrage per leerling. Volgens ingewijden zou niet overal het totale bedrag per leerling op de betreffende vestiging terecht komen maar deels elders in de organisatie worden besteed. Als streekomroep wilden we graag in beeld brengen hoe er in Zuidwest-Brabant mee wordt omgegaan. We vroegen om een reactie aan de Lowys Porquinstichting, Stichting Openbaar Basisonderwijs West-Brabant, KPO Roosendaal, Abbo en Stichting SOM (Samen Onderwijs Maken). Alleen de laatste wilde ons te woord staan.

Kwaliteit onderwijs voorop

Marjan Bastiaansen is voorzitter van het College van Bestuur bij Stichting SOM. Deze organisatie is actief in Zeeland en Zuidwest-Brabant, met onder meer twee scholen in Bergen op Zoom, één in Dinteloord en een locatie in Hoogerheide. Ze is klip en klaar over het bedrag: “Wij gaan niet op bestuursniveau zeggen dat er een bepaald percentage moet worden ingeleverd.” De betrekkelijk compacte staf redt het zo ook wel, geeft ze aan. “Onze insteek is kwaliteit van onderwijs en dat is op schoolniveau.”

Toch weer online als optie

SOM heeft het liever niet over achterstanden maar beschouwt het als vertraging, vertelt de bestuurder. De leerstof komt er immers wel maar in een wat ander tempo. En er wordt bovendien verder gekeken dan alleen zaken als rekenen en taal. Onderwijs is méér dan dat en richt zich evengoed op bijvoorbeeld sociale ontwikkeling.

Iedere school binnen de stichting mag daarom met een eigen plan komen. Zelfs per groep kan worden aangegeven hoe dit geld het beste besteed kan worden. Dat gaat in eerste instantie vooral om de leerlingen maar er wordt ook verder gekeken dan dat. Bastiaansen vertelt dat er tevens wordt bekeken in hoeverre leraren aanvullende ondersteuning nodig hebben. Zelfs het mogelijke scenario van opnieuw online les moeten geven houdt men in gedachten. We zijn immers nog niet van corona af. Daar wil je als onderwijsorganisatie niet meer door verrast worden, legt Bastiaansen uit. Investeren in digitale vaardigheden en lesmateriaal dat het ook online goed doet is dus onderdeel van de aanpak.

Vooruitkijken is lastig

In een bepaald opzicht kan ook SOM mogelijk een deel van de beschikbare gelden aanwenden om te investeren in werknemers die niet aan een specifieke school zijn gekoppeld. Dan gaat het om mensen die op verschillende locaties specifieke ondersteuning bieden. Het blijft op bepaalde vlakken lastig vooruitkijken, juist omdat de golfbewegingen met besmettingen maar doorgaan. Een belangrijke geleerde les vindt Marjan dat er snel geschakeld kan worden. Maar ook dat er veel oog moet zijn voor de sociale aspecten, zoals contact met klasgenootjes en vriendjes van de leerlingen.

Duidelijk is dat het belang van de kinderen voorop staat. En verder vindt SOM dat de RIVM-richtlijnen bepalend zijn. De voorzitter is daar uitgesproken over: “Wij zijn geen nieuwe beleidsbepalers.” Dus als het weer online moet is het niet anders, alleen wil men er dan beter op voorbereid zijn. Wel is er natuurlijk de verantwoordelijkheid voor de opvang van kwetsbare kinderen en die van ouders met essentiële beroepen. Die blijven ook dan welkom op de scholen zelf.