Erkenning van Jetten aan Molukkers is fijn, maar kennis is belangrijker: ‘Maakt deel uit van de Nederlandse geschiedenis’
Premier Rob Jetten maakte namens de regering zijn excuses voor de behandeling van duizenden Molukkers die rond 1951 naar Nederland zijn gehaald. Dat moment wordt door de Roosendaals-Molukse James Habibuw gewaardeerd, maar belangrijker vindt hij dat de gebeurtenissen algemene kennis worden in Nederland.
Het is een zwarte (en voor velen een onbekende) bladzijde in de Nederlandse geschiedenis: de behandeling van de Nederlandse regering tegenover de Molukse KNIL-militairen en hun gezinnen. In 1951 werden 13 duizend Molukkers naar Nederland gehaald en – op z’n zachtst gezegd – onder slechte omstandigheden gehuisvest. Zondag 21 juni maakte premier Rob Jetten zijn excuses voor het nalatig handelen van de Nederlandse regering.
De ouders van James waren er daar twee van. Noodgedwongen werden zij in 1950 naar Nederland gehaald, want in Indonesië waren zij niet meer veilig. Zijn moeder was een aantal dagen voor de overtocht bevallen. “Mijn oudste broer was vijf dagen oud en mocht officieel niet mee op de boot, want het was een lange reis”, vertelt hij. Toch hebben ze overstap gemaakt, met het idee op een tijdelijk verblijf.
Waarom maakt Nederland excuses aan de Molukse gemeenschap?
Tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog (1945-1949) vochten veel Molukse beroepsmilitairen aan de zijde van Nederland – tegen Indonesië. Dat deden ze in de hoop een eigen staat te krijgen. Nederland verloor de oorlog en draagt onder internationale druk de macht over aan de Indonesiërs.
Het land zou een verzameling van zelfstandige deelstaten worden, waaronder een deelstaat voor de Molukkers, maar dat gebeurde niet. Uit woede en het verlangen naar een eigen staat roepen ze hun eigen republiek uit (RMS). De Indonesische president Soekarno gaat dit tegen en stuurt een leger naar Molukse eilanden.
Indonesië ziet hen als landverraders, waardoor de Molukse militairen in de knel komen. Aansluiten bij het Indonesische leger gaat niet en terug naar de Molukken ook niet vanwege de bezetting. Nederland heeft die periode nog verantwoordelijkheid over de militairen en beveelt de KNIL-militairen en hun gezinnen naar Nederland te komen.
Bij aankomst worden de KNIL-militairen ontslagen. Zowel de Nederlandse regering als de Molukkers verwachtten een tijdelijk verblijf van zes maanden. Maar maanden werden jaren. Ze werden onder slechte omstandigheden opgevangen, zoals in de voormalige Duitse concentratiekampen Westerbork en Vught.
Het excuus van de premier is waardevol voor James, maar komt eigenlijk net iets te laat. “Ik vind het zelf heel belangrijk dat het eindelijk een keer zo uitgesproken wordt. Het jammere ervan is dat het niet in de tijd is gebeurd toen mijn ouders nog leefden, want eigenlijk zou deze excuses aan hen gegeven moeten zijn”, vertelt de 75-jarige Roosendaler.

Nederlandse opvoeding
Eenmaal aangekomen in Nederland werden zijn ouders, Evert Habibuw en Helena Hes, opgevangen in een opvanglocatie op de vliegbasis in Gilze Rijen, waar James Habibuw geboren is. Een aantal jaren geleden is hij voor het eerst naar die locatie geweest. “Dat was heel bijzonder. Er was een Molukse oom, zo noemen we elkaar vaak terwijl we formeel geen familie zijn, en die wist nog precies waar hij en mijn ouders hebben gewoond. Dat doet je wel wat, omdat je in de voetsporen treedt van je ouders.”
Toen James nog jong was werd er in thuis niet gesproken over vroeger. “Mijn conclusie is dat zij ons niet wilden belasten met de geschiedenis”, zegt hij. Dat ziet hij achteraf ook terug in zijn opvoeding. Samen met zijn broers en zus kreeg hij, zo zegt hij zelf, een zo ‘Nederlands mogelijke’ opvoeding. “We kregen vanaf de lagere school privéles en pianoles, moesten naar judo en er werd geen Maleis gesproken”, vertelt James.
Desondanks werd de cultuur toch doorgegeven. Zijn moeder gaf bijvoorbeeld aan de meisjes in de wijk dansles in Indische dansen. “Dus dat was ook weer een uiting voor haar om het haar culturele achtergrond bezig te zijn”, vertelt hij trots. In de straat waar hij opgroeide, woonde ook zanger Jack Jersey (bekende Indische zanger). “Die kwam ook bij ons thuis, want wij hadden een piano. Dat maakt ook onderdeel van onze cultuur: eten, muziek en familie. Dat is waar alles om draait.”
Maar wat zijn ouders doorstaan hebben om in Roosendaal te komen, daar wist James niks van af. Totdat in de jaren zeventig de treinkaping en gijzelingen in het nieuws kwamen. Vanaf dat moment begon James zich dingen over zijn herkomst af te vragen. “Omdat mijn ouders daar nooit over spraken, ben ik zelf op zoek gegaan.”

Op zoek naar het verleden
Hij sloot zich aan bij een organisatie van een vriend genaamd ‘Gerakan Pattimura’, vernoemd naar de vrijheidsstrijder op de Molukken. In die tijd worden meerdere (jongeren)organisaties opgericht, waarbij de focus bij de meeste ligt bij de RMS. Dat deed de organisatie waar James bij zit bewust niet; zij focusten zich op leeftijdsgenoten die verslaafd en werkloos waren.
Die periode van ontdekking, vooral op 18- à 19-jarige leeftijd, heeft veel indruk om hem gemaakt. Hij ontmoette in die fase via de organisatie veel andere Molukkers en zag dat zij in hele andere omstandigheden zijn opgegroeid in Nederland. “Die waren allemaal opgegroeid in gezamenlijke woonwijken en kampen. Zij praatten ook allemaal Moluks-Maleis. Ik sprak dat niet en ik voelde me daar een buitenstaander.”
Wie bepaalt of ik wel of geen Molukker ben?
Dat zette hem op jonge leeftijd aan het denken. Met name over zijn identiteit. “Op een gegeven moment had ik zoiets van ‘wie bepaalt of ik wel of geen Molukker ben?’, dat ben ik uiteindelijk. Er zijn geen maatstaven, het is een gevoel dat je hebt en met je meedraagt.” En dat gevoel heeft hij altijd gehad.
“Maar”, benadrukt hij lachend, “ik voel me ook écht Nederlander. Ik bedoel, als Nederland wint bij het WK, dan hoor je mij ook juichen.” Door zijn zoektocht besloot hij in 1979 om naar Ambon te gaan; de plek waar zijn ouders vandaan komen. Het raakt hem als hij hierover praat. “Het was voor het eerst in mijn leven dat ik voelde dat ik opging in de massa.”
Confrontatie met herinneringen
Zijn vader had hem voorbereid op de reis en vertelde wat hij zoal moest doen als hij het dorp binnenkwam en wat de gewoontes zijn. Eenmaal aangekomen ontmoette hij de zus van zijn opa. Die vroeg hem: “Waar is je vader? Wat geweest is, is geweest.” In eerste instantie vroeg hij zich af waarom ze die vraag stelde, maar later viel het kwartje.
“Hij heeft natuurlijk voor de Nederlanders gevochten en zij moesten dus hun eigen mensen onderdrukken. En op het moment dat je dát gaat beseffen, dan gebeurt er wel wat met je.” Zijn vader is uiteindelijk nooit teruggegaan en heeft zich volledig gestort op het leven in Nederland.
Hij is gaan studeren, deed de sociale academie en op latere leeftijd studeerde hij theologie in Tilburg. Ondanks dat zijn vader het leven goed heeft opgepakt in Nederland, haalde de gebeurtenissen hem op het einde van zijn leven in. “In zijn laatste levensjaren was hij helemaal van het padje en dat is de prijs die hij ervoor heeft betaald denk ik.”

Erkenning van de geschiedenis
“Kennis is belangrijk en later ontdek je pas in wat voor situatie je ouders hebben gezeten”, vertelt James. Daarom pleit hij ook dat scholen meer aandacht besteden aan de Molukse geschiedenis en de wijze waarop ze naar Nederland toegehaald zijn.
“De gemeenschappelijke geschiedenis, want dat is het in feite, we maken onderdeel uit van Nederlandse geschiedenis, moet doorgegeven worden.” Zelf leerde hij op school alleen over de onderdrukkers en niet over de geschiedenis zelf. “De scholen besteden daar geen aandacht aan.”
Het verhaal van de ouders van James is er slechts één van velen, maar die verhalen zijn belangrijk volgens James om door te vertellen. “Elk verhaal is belangrijk. Ook voor de generatie na mij (de derde en de vierde) die er nog veel verder van staan en niet de emotionele laag meedragen zoals ik dat doe.”
De erkenning die Jetten met zijn excuses teweeg brengt is een mooi eerste stap, maar James ziet hierin ook kansen liggen voor vervolgstappen. Onder andere ervoor zorgen dat het écht ingebed wordt in de Nederlandse geschiedenis. “Dat ook de generaties hierna meekrijgen hoe de koloniale geschiedenis, de periode na de onafhankelijkheid van Indonesië en de periode erna”, vertelt hij benadrukkend, want dit stukje geschiedenis mag volgens hem nooit vergeten worden.