Nieuwsanalyse – Als de vissen sterven, waarschuwt het water ons
Foto: Omroep Zeeland.
Vissen zijn voor een waterschap wat de kanarie ooit was voor de mijnwerker: een vroeg alarmsignaal. Gaat het slecht met de vissen, dan is er meestal meer aan de hand met het water. De massale vissterfte in de Bathse spuiboezem is een signaal.
Honderden, mogelijk duizenden kilo’s vis zijn inmiddels uit het water gehaald. Volgens de Woensdrechtse hengelsportvereniging HSV ’t Spanjooltje is naar schatting tachtig procent van de visbestand gestorven. Baars, karper en paling liggen dood aan de oppervlakte. Sommige exemplaren waren twintig jaar oud. De oorzaak: hoge temperaturen, weinig doorstroming, toenemende verzilting en een tekort aan zuurstof.
Ludo Maas, algemeen bestuurslid namens de Partij voor de Dieren bij Waterschap Brabantse Delta, noemt vissen één van de eerste slachtoffers van een veranderend watersysteem. Het water warmt op, verdampt en wordt zouter. Tegelijkertijd neemt de hoeveelheid beschikbaar zoet water af. Daar komt bij dat watergangen en vispassages onder druk staan wanneer boeren tijdens droge perioden water nodig hebben. Terwijl een gezond watersysteem juist gebaat is bij stroming en voldoende water.
Maas wijst erop dat in de twee andere Brabantse waterschappen, Aa en Maas en De Dommel, grondwater in beken wordt gepompt om vissen door de droogte heen te helpen. Bij Brabantse Delta ziet hij die aanpak vooralsnog niet terug. Ook vraagt hij zich af waarom bij buurwaterschap Scheldestromen vergelijkbare maatregelen niet worden ingezet. Want wát gebeurt er, als een watersysteem jarenlang wordt aangepast aan steeds extremere droogte, terwijl de natuur zich daar niet zomaar bij kan aanpassen?
De situatie bij Bath, het opvangbekken van het water van de Brabantse Wal, laat zien hoe kwetsbaar een afgesloten watersysteem kan worden. De spuiboezem krijgt normaal gesproken zoet water vanuit de directe omgeving. Maar door de aanhoudende droogte komt daar al maanden nauwelijks vers water bij. Het gevolg is een neerwaartse spiraal: minder aanvoer betekent minder doorstroming, hogere temperaturen en meer verdamping. Daardoor stijgt het zoutgehalte en neemt de hoeveelheid zuurstof verder af. Voor vissen kan dat uiteindelijk fataal worden.
De Brabantse Wal kampt zelf met verdroging, terwijl het water dat daar nog beschikbaar is elders hard nodig is om een ander deel van het watersysteem leefbaar te houden. Wat op de ene plek een droogteprobleem is, wordt verderop een probleem van verzilting en zuurstoftekort.
Natuurlijk moet eerst worden vastgesteld wat precies de oorzaak van de sterfte is. Maar de bredere ontwikkeling is moeilijk te negeren. Warmere zomers, langere perioden van droogte en steeds minder beschikbaar zoet water zetten natuur en landbouw tegenover dezelfde schaarse bron.
Een watersysteem dat alleen functioneert zolang het weer meewerkt, is geen robuust systeem. Het is een systeem dat zich klaarmaakt voor de eerstvolgende klap.
Lees ook: Hengelclub ’t Spanjooltje treurt om vissterfte in spuiboezem: ‘In- en intriest om te zien’