Als wethouder van Bergen op Zoom vindt Sander Siebelink: eerst luisteren vóórdat je een standpunt inneemt

Als wethouder van Bergen op Zoom vindt Sander Siebelink: eerst luisteren vóórdat je een standpunt inneemt

Sander Siebelink (foto: ZuidWest Update).

Sander Siebelink is sinds juni wethouder namens het CDA in het Bergse college. Hij keert daarmee terug op een vertrouwde plek: tussen 2006 en 2010 was hij ook al wethouder, voor de toenmalige partij Lijst Linssen. In de tussenliggende jaren werkte hij als docent geschiedenis. Tegen ZuidWest Update vertelt hij over zijn terugkeer, zijn manier van besturen, de verschillen met zestien jaar geleden en de invloed van zijn verleden als docent.

Je bent sinds juni weer wethouder. Hoe is het om terug te zijn?

“Het is vooral een feest van herkenning. Natuurlijk is er technologisch veel veranderd, maar in wezen is er ook veel hetzelfde gebleven. Je bent er nog steeds om te besturen en dat doe je voor de inwoners die hun eigen aandachtspunten en problemen hebben. De maatschappij ontwikkelt zich, maar de basis van het werk is hetzelfde gebleven.”

Je bent eerder wethouder geweest, maar hebt daarna jarenlang voor de klas gestaan. Wat neem je uit die periode mee naar het wethouderschap?

“Ik ben van huis uit historicus en heb jarenlang lesgegeven in het mooie vak geschiedenis. Ik heb veel eindexamenleerlingen naar hun diploma begeleid. In de politiek ben ik vooral actief vanuit de ombudsgedachte: wat kan de politiek daadwerkelijk doen om de samenleving beter te maken? Als het erover gaat wat ik meeneem uit mijn onderwijsperiode, dan is misschien de algemene deler wel dat de jeugd de toekomst heeft.”

Heeft die onderwijsachtergrond ook invloed op de manier waarop je nu bestuurder bent?

“Zeker. Ik heb natuurlijk veel ervaring in het onderwijs en ik ben ook redelijk goed op de hoogte van de regelgeving en ontwikkelingen binnen die sector. Daarom vind ik het ook belangrijk om goed naar mensen te luisteren en verschillende kanten van een verhaal te kennen.”

Je staat nu aan de andere kant van de tafel. Je was eerder raadslid en gaf toen zelf kritiek op het college. Hoe is het om die kritiek nu zelf te krijgen?

“Daar moet je tegen kunnen. Als je dat niet kunt, moet je dit beroep niet kiezen. Overigens hoop ik meer op samenwerking dan op kritiek.”

Hoe ga je zelf om met kritiek?

“Ik heb me altijd voorgenomen om eerst goed te luisteren. Informatie neem ik tot me en spreek me pas uit over zaken als ik alle informatie heb en van alle betrokken kanten die informatie heb gekregen. Voor mij is daar in dat opzicht niet zo veel in veranderd.”

Wat is voor jou het grootste verschil tussen het wethouderschap van nu en dat van zestien jaar geleden?

“De invloed van sociale media op de standpuntvorming en op de beeldvorming van de politiek. Dat vind ik wel de grootste verandering.”

Wat doet die ontwikkeling met jou, als bestuurder?

“Je ziet dat er soms conclusies worden getrokken op basis van eenzijdige informatie. Dat kan soms schadelijk zijn. Maar sociale media zijn er nu eenmaal. Je kunt er veel van vinden, maar het is een gegeven. Dat conclusies een héél eigen leven kunnen gaan leiden vind ik wel zorgelijk.”

Je hebt onderwijs en jeugdzorg in je portefeuille. Raakt het je vanuit je achtergrond als docent extra wanneer je ziet dat jongeren vastlopen?

“De behoefte aan jeugdzorg is enorm gestegen. Je ziet dat kinderen vanuit school vaak vastlopen. Daar kunnen verschillende redenen voor zijn, die bijvoorbeeld ook met de gezinssituatie te maken hebben. Vervolgens kunnen kinderen in langdurige trajecten terechtkomen.

Dan moet je je afvragen of vanaf het begin wel de juiste zorg wordt geboden. Als jeugdzorgtrajecten heel intensief en langdurig zijn, is dan vanaf het begin de juiste keuze gemaakt? Daar wil ik de komende jaren nadrukkelijk naar kijken. Ook hier geldt namelijk weer dat de jeugd onze toekomst is.”

Je hebt zelf jarenlang met jongeren gewerkt. Wat hoor je van hen terug?

“Toen ik zelf gesprekken met leerlingen voerde, vroeg ik bijvoorbeeld wat ze vonden van sociale media of hun mobiele telefoon. Dan hoorde je soms: ‘Hoe zou het zijn als er helemaal geen mobiele telefoons waren?’ Misschien zouden ze zich dan juist een stuk rustiger voelen.”

Je bent nu opnieuw wethouder. Is er iets waarvan je achteraf denkt: dat zou ik zestien jaar geleden anders hebben aangepakt?

“Voor mij is er in mijn manier van werken niet zo veel veranderd. Ik heb altijd eerst willen luisteren en informatie tot me willen nemen voordat ik me uitspreek. Wat wel veranderd is, is de omgeving waarin je als bestuurder werkt. Vooral de invloed van sociale media is enorm toegenomen.”

Je hebt inmiddels ook een eigen werkkamer op het Stadskantoor. Wat zegt die ruimte over jou, hoe richt je die in?

“Ik zit er nog maar net en het is nog wat kaal. Ik ga daar nog mee aan de slag. Wat er nu hangt, is een compilatie van ‘Sander door de eeuwen heen’. Die heb ik bij mijn afscheid van mijn werk gekregen van mijn examenleerlingen uit 6 vwo. Dat koester ik. Verder heb ik ook een antieke prent gekocht die ik nog moet laten inlijsten.”